klein Deens geluk

Grote en kleine inspiratie uit het gelukkigste land. Van smørrebrød tot windenergie.

Dit is Abdullah

Ik kijk in mijn voorraad (droge worst, borrelnoten en drop), kies voor de zak borrelnoten en houd hem die voor. “Wil je er ook een paar?” Beleefd neemt hij een handjevol aan. Hij werkt er een paar weg. Erg enthousiast kijkt hij niet. Te zout, misschien. Ik durf het niet te vragen. Ik had hem al zoveel vragen gesteld. En hij is al zo lang onderweg. Misschien heeft hij gewoon zin in de gehaktballen van zijn moeder. Zou ik wel hebben, tenminste.

Op de trein

Donderdagavond, Hardenberg, Nederland.

nsMijn vader had me voor vertrek wat extra eten in mijn tas gestopt, voor onderweg. En om uit te delen. Je weet maar nooit. Ik neem eigenlijk nooit de trein, van Nederland naar Denemarken. Vliegen is vaak sneller. Maar een week geleden was ik naarstig op zoek naar een enkele reis vanuit Nederland naar huis en de trein bleek de goedkoopste optie. Bovendien: ik houd van de cadans, de ruimte en de tijd van de trein.

Dat dachten deze week meer mensen. Meer specifiek: mensen op de vlucht vanuit Syrië, Irak en Afghanistan. Onderweg naar een nieuw thuis.

station flensburg

Politie houdt toezicht op station Flensburg.

Vrijdagmiddag 16.46, Flensburg, Duitsland.

Als sardientjes in een blik -denk: spitstrein van Den Haag naar Amsterdam, 17.08- worden we op station Flensburg (Duitsland) met hulp van de politie de trein naar Kopenhagen ingebonjourd. Geen vragen, geen paspoort, alleen een kaartcontrole op het perron. Iedereen die eruitziet als een Mohammad of Abdullah krijgt door een groepje vrijwilligers een klein pastic tasje met een banaan, water en chocolade toegestopt. De rest (Deens, Duits en ik) kijkt wat verbouwereerd toe. We zitten middenin het nieuws van de dag, maar zijn allang blij dat deze trein wél rijdt, in tegenstelling tot de ICE’s.

Vrijdagmiddag 16.55, in de trein naar Padborg, Denemarken.

De meeste Denen en Duitsers weten hun verbouwereerde nieuwsgierigheid te bedwingen en beginnen geen gesprek met de Mohammads. Uit verlegenheid, of respect voor hun privacy, misschien. Ze duiken in hun telefoons, waarschijnlijk om hun vrienden te appen: ‘ik sta tussen de vluchtende Abdullah’s!’. Ik ben te nieuwsgierig. Ik sta recht naast Abdullah, hij lijkt me aardig, dus ik begin voorzichtig aan mijn vragenvuur. Waar kom je vandaan? Waar ga je naartoe? Waar ben je tot nu toe geweest?

Dit is Abdullah

Syrië. 37 jaar. Heeft 12 jaar in Dubai gewerkt. Een willekeurig baantje, op een kantoor. Hij vindt het de moeite niet daarover uit te wijden. Zijn werkvisum is nu verlopen en wordt niet meer verlengd. Hij had het daar goed, maar het was wel een beetje warm. Zijn familie woonde eerst in de stad Aleppo, maar is de stad uitgedreven en woont nu op het platteland. Ik kijk hem vragend aan – hoe zit dat precies? Aleppo was een heel mooie stad, ooit, zegt hij, maar terug naar de stad is voor hun geen optie: die staat op instorten, en als je huis niet al ingestort is, dan loop je het risico omver geschoten te worden door één van Assad’s mensen. Of die van IS. Het is maar net wie er raak schiet. Zijn vader is te oud om nog ver te reizen, bovendien is zijn moeder ziek. Ja, hij zat ook op zo’n gammel bootje. Hij vertelt het allemaal alsof hij verslag doet van een dagje op zijn oude kantoor. Feitelijk, constaterend. “Zo is het nu eenmaal, en ik moet verder. Ik ben nog jong.”

Ik vraag of hij alleen reist. Waar hij slaapt. Of hij moe is. Hoe lang hij al onderweg is. Veel vragen. Ja, hij reist alleen, nu al een week door Duitsland, slaapt in bussen en treinen, en is getrouwd. Met een hele leuke vrouw, zij is nog in Dubai. Een Filippijnse. Geen moslim, maar een christen. Het maakt hem allemaal niet uit. Welke religie, of geen religie. Als je maar een goed mens bent. Ik vraag niet verder, knik begrijpend. Kinderen hebben ze niet. Weer durf ik niet verder te vragen. Hij is onderweg naar Malmö, want daar woont een vroegere vriend van hem, al 9 jaar. Die had hem Zweden aangeraden en onderdak aangeboden.

“Denemarken? Nee, geen idee.”

Vrijdagmiddag 17.14, Padborg, Denemarken.

De eerste stop in Denemarken: Padborg. Een belangrijk punt, want wie in Denemarken wil blijven, moet er hier uit om zich te registreren. Wie naar Zweden wil, moet blijven zitten tot Kopenhagen en zich vanaf daar naar Malmö haasten. De politie stuurt twee tolken (Arabisch en Farsi) door de trein om dat duidelijk te maken. Erachteraan lopen vrijwilligers met nóg meer zakjes proviand. Men neemt het stilletjes aan. Niemand stapt uit. Op het perron staat een Deense moeder met haar dochter. Ze vraagt me of ik vluchtelingenkinderen heb gezien. De dochter houdt een paar knuffels in haar hand. Ik zeg dat in deze coupe geen kinderen zitten, alleen mannen en een paar vrouwen. Moeder en dochter lopen verder naar de volgende coupe, op zoek naar kinderen.

Vrijdagmiddag 17.20, Padborg, Denemarken.

De trein rijdt weer en ik besluit op de grond te gaan zitten. Hij helpt me mijn tas te stabiliseren. Ik begin te lezen in mijn boek, en plotseling zie ik een Twix op mijn boek verschijnen. Van Abdullah. “Hier, voor jou”, zegt hij. Ik ben niet zo van de Twixen, maar ik neem hem aan. ‘Zoiets mag je niet weigeren’, denk ik bij mezelf.

Al lezend eet ik de plakkerige chocola, en vraag me af: wat wil ik nog meer van hem weten? Ik hoor de Denen om me heen in het Deens verhitte discussies voeren over het aangescherpte asielbeleid, de grenzen open of dicht, en wat ze daar zelf van vinden. Na een halve pagina in mijn boek besluit ik Abdullah te vragen of hij heeft gelezen over de advertenties van het land waar hij op dit moment doorheen reist. Advertenties in een aantal Arabische media waarin bijna letterlijk staat: wij willen jullie niet. Daarom krijg je nauwelijks geld, ondersteuning en je familie kun je hier evenmin heen halen. “Nee, niks over gehoord,” zei Abdullah.

Vrijdagmiddag 17.50, tussen Jutland en Funen.

Ik wijs naar buiten, naar het fjord, en naar de oude Lillebeltsbrug in de verte. “Kijk, typisch Deens, al dat water en die bruggen”, zeg ik. Hij schiet naar voren om te kijken. Twee jonge jongens, broers, nauwelijks 18, uit Afghanistan vermoed ik vanwege het Farsi dat ze spraken, te timide om een gesprekje mee aan te knopen, volgen nieuwsgierig onze blik. Mooi, vindt hij. Hij vraagt me wat Denemarken eigenlijk voor land is. “Hebben jullie een functionerende rechtsstaat? En werk?”. Ik knik van ja. “Dus het is een beetje net als Duitsland en Zweden? Wow! Good for you!”. Ik knik weer van ja. Very good for you, herhaal ik bij mezelf.

Een mening…

Vrijdagmiddag 18.05, middenin Denemarken.

Ik had me tot die tijd op afstand een mening geprobeerd te vormen over de vluchtelingentoestroom. En over of we al die nieuwe buren nou als probleem of uitdaging of kans moeten zien. Mijn mening bewoog zich ergens tussen uitdaging en kans in.

Maar op dinsdag begon het gerommel in Denemarken. Honderden, duizenden wilden Denemarken door, op weg naar Zweden. Snelwegen bij de grens werden uit veiligheidsoverwegingen afgesloten, want vluchtelingen gingen -heel gåpåmod– aan de wandel. Veerboten werden stilgelegd. Treinen gestopt. De politie wist zich geen raad. Ze móesten die mensen aanhouden en verplichten tot registratie, maar de vluchtelingen wilden niet (ze wilden namelijk helemaal niet in Denemarken blijven). De politiek zat er bovenop: ze hadden nog geen 2 maand geleden beloofd tot een véél strenger asielbeleid en nu sloeg die belofte ze recht in het gezicht. Wat te doen? Niemand wist het.

Deze agent wist het wél: hij speelde op de afgesloten snelweg een goochelspelletje met dit Syrische meisje. Het beeld van de ontspannen, vriendelijke Deense agent ging de hele wereld over. Foto: BT.dk.

… of een ervaring

En op vrijdag sta ik er zelf middenin. Op het balkon van de trein. Tussen Abdullah en twee Afghaanse broers.

Vrijdagavond 20.59, Kopenhagen.

Als de trein met enige vertraging in Kopenhagen aankomt, vraag ik Abdullah of ik nog iets voor hem kan doen. Iemand bellen. De weg wijzen. Nee, dankjewel, zegt hij. Hij helpt me mijn koffer met droge worst en drop uit de trein te tillen en weg is hij. Ik kijk hem na. Strak gestyled haar, sportieve kleding, met als enige bezit een iphone, een oplader en een dikke winterjas, opgevouwen onder zijn arm. Klaar voor Zweden.

Ik weet niet wat de oplossing is. Maar wat ik wél weet, is dat Abdullah probeert een goed mens te zijn.

Net als jij en ik.

Zo iemand verdient het behandeld te worden als een goed mens.

 

 

NB: ook iets doen?

Oja. Nog even dit. Mocht je graag iets willen doen, en je hebt geen tijd maar wel een klein bedrag, dan raad ik je aan te doneren aan mijn oud-collega Onny Jalink. Zij woont en werkt op dit moment op Nederlandse ambassade in Belgrado, Servië en besteedt haar vrije tijd aan een crowdfundingcampagne voor het lenigen van de hoogste nood van vluchtelingen in transitland Servië (water, eten, warmte, sanitaire voorzieningen), waar de overheid niet bij machte is voldoende hulp te bieden. ‘Haar’ Belgrade Foreign Visitors Club werkt daarvoor samen met Giving Back Serbia. “Zo’n expatclub richt zich traditioneel natuurlijk op first world problems van relatief rijke expats die hun draai proberen te vinden in een vreemd land. Maar wij zijn er nu ook voor die andere foreign visitors. Het wordt steeds groter, ook in omvang, maar het is erg dankbaar om te doen,” aldus Onny. 

Doneren? Dat doe je hier.

« »

© 2017 klein Deens geluk. Theme by Anders Norén.