Nederland heeft Zwarte Piet, Denemarken heeft ‘nisse’. Kleine en veelal onzichtbare kerst-elfjes, die op boerderijen wonen, of bij de Kerstman, en als levensdoel hebben de Kerstman te helpen met zijn gewichtige taak. Ze zijn zo groot als kinderen van 10 jaar oud, maar kleden zich als de Kerstman met een rode muts en een rood pak.

‘Gewoon, grapjes’ 
En ze hebben karakter, die elfjes. Oioioi. Om bang van te worden. Als rechtgeaarde kerstman-gelovige (92% van de Denen gelooft in de kerstman, zo las ik gisteren op het altijd waarheidsgetrouwe Twitter) doe je er goed aan de nisse een beetje tevreden stemmen door eten voor ze klaar te zetten. Lief te zijn. Voor de nisse, voor elkaar, en voor de rest van de wereld. Dat brengt je geluk, in het komende jaar. Bovendien hebben ze de neiging flauwe of soms zelfs lugubere grapjes uit te halen als ze zich niet serieus genomen voelen. Wat voor grapjes? Daar ben ik nog steeds niet achter. Iedere keer als ik die vraag stel, krijg ik als antwoord: ‘gewoon, grapjes, weet je’. Niemand durft het lot te tarten als het om nisse gaat, zo lijkt het.

Heidens en religieus 
De elfjes hebben hun oorsprong in de heidense midwinterfestivals in Scandinavië uit de tijd van voor het christendom. Noorwegen noemt ze ook nog steeds nisse, en in Zweden heten ze tomte (wat nu ook de naam van de kerstman is). De nisse-karakters zijn later gecombineerd met allerlei andere folkloristische karakters. Om te beginnen met de heilige die bij ons is geëvolueerd tot Sinterklaas en hier tot Kerstman (Julemand), maar ook met de geboorte van Jezus Christus en nog wat andere religieuze en niet-religieuze verhaallijnen die -vanwege hun winterse en warme karakter- prima bij elkaar passen.

Die multiculturele maatschappij is helemaal niet zo nieuw, dunkt me.