Het leek ooit zo’n mooie belofte: vrij verkeer binnen Europa. Het nieuwe sentiment in Denemarken is echter precies tegenovergesteld. De nieuwe Deense minderheidsregering, gesteund door de nationalistische Dansk Folkeparti, kondige vorige week aan de grens met Duitsland intensiever te gaan controleren. Per toeval kreeg ik zondagavond een voorproefje van dit nieuwe Denemarken in een nieuw Europa.

Passports, please!

Een grote vangst.

Een grote vangst.

Het is zondagavond en ik reis na een weekend in Hamburg terug naar Kopenhagen. Per bus, met zo’n 50 andere lowbudgetreizigers. De veerpont tussen Duitsland en Denemarken meert aan. We rijden Denemarken binnen, maar staan na een paar minuten weer stil. Pas een half uur later blijkt waarom: we zijn onderwerp van een steekproefcontrole. Terwijl de Deense douanedame onze bus binnenstapt en om onze paspoorten vraagt, wordt naast ons een busje uit Litouwen aangehouden. Beteuterd kijken de bestuurders hoe hun honderden liters meegesmokkeld bier, wijn en whiskey naast het busje uitgestald en geteld worden.

Vragenlijstje

“Waar ben je geweest?” hoor ik haar herhaaldelijk vragen. Daarna de vervolgvragen: waarom, hoe lang, waar ga je nu naartoe, wat ga je daar doen, ga je daarna nog ergens anders naartoe, waar verblijf je, heb je een retourticket naar de VS, laat eens zien, heb je goederen aan te geven? De Deen naast me -petje, koptelefoon, type hiphop- reist vanuit Amsterdam en krijgt een pesterig maar trefzeker ‘coffeeshop geweest zeker – heb je drugs bij je?’ toegeworpen. Nee, nee, is zijn antwoord. Hij kijkt naar beneden en ze gaat verder naar mijn Duitse -studentikoze- buurvrouw, die een vriend op gaat zoeken en na vijf dagen zegt terug te reizen naar Duitsland. Mevrouw douane knikt kortaf, geeft het paspoort terug en gaat door naar de volgende.

Deens of Zweeds!?!

Dan hoor ik haar luid articulerend zeggen “taler du svensk?”. Ze vraagt de Syriër, die zeven maanden in Zweden woont, of hij Zweeds spreekt. In het Deens. “Je woont immers in Zweden.” Hij kijkt haar niet-begrijpend aan. Ze probeert het nog eens: ‘taler du svensk? … ta-ler du svénsk?’. Ongeduldig en steeds harder, praat ze nu. Weer reageert hij niet.

Hoewel Deens en Zweeds taalkundig zeer dicht bij elkaar liggen, spreken een Deen en een Zweed doorgaans Engels met elkaar. De klanken en intonatie van de buurtalen zijn erg verschillend en dat maakt het voor niet geoefende luisteraars lastig om een zinvol gesprek op te bouwen. De douanebeambte van dienst lijkt echter te denken ‘op Deense grond spreken we Deens’, dus alle Scandinaviërs worden in het Deens aangesproken.

Als de Syriër na drie keer nog geen blijk van herkenning geeft, gaat ze verder in het Engels. Wat doe je voor de kost in Zweden? Ongemakkelijk schuift hij heen en weer op zijn stoel. Hij mag nog niet werken in Zweden. Blijf je daar?, gaat ze verder. Hoeveel bagage heb je bij je? Wat deed je in Duitsland? Waar heb je overnacht? Heb je iets aan te geven? Gelaten geeft hij antwoord.

IJskoningin

Dan komt ze bij mij. Ik houd mijn adem in. Ben toch een beetje gespannen. De toon in haar vragen. Haar verbeten gezichtsuitdrukking. Niet onvriendelijk, maar zo zakelijk dat het toch een beetje intimiderend is. Is dat de strategie? Mensen met verbale kanonschoten in een hoekje drijven, zodat ieder vermogen tot creativiteit of fantaseren de kop ingedrukt wordt? Ik houd mezelf voor: ik doe niets illegaals. Ik mag hier gewoon zijn. Dit is mijn thuisland. Ik heb een geldig paspoort bij me, en ik mag gewoon van A naar B reizen, zelfs met de 5 flessen shampoo in mijn tas, die ik in Duitsland kocht omdat ze daar de helft goedkoper zijn dan in Denemarken.

Ze neemt mijn paspoort aan. Nederlands? Waar reis je naartoe? Kopenhagen? Wat ga je daar doen? Mijn antwoord brengt haar even van haar stuk. Dit had ze niet verwacht. “Je woont daar?” Snel herpakt ze zich, en ze lijkt zich haar mantra ‘wie in Denemarken woont, spreekt Deens’ te herinneren. “Maar dan spreek je Deens!” roept ze uit in het Deens. Haar toon is minder zakelijk, begeeft zich nu ergens tussen dwingend en hoopvol in. “Ja, dat klopt”, antwoord ik haar in keurig Deens. Hoe lang woon je hier, wat doe je hier in Denemarken? Ik ben freelancer, zeg ik. Ze vraagt niet door. Lijkt het zo, of ontdooit ze een beetje? Ze begint te glimlachen. Je spreekt ontzettend goed Deens, zegt ze. We glimlachen naar elkaar en voeren het gesprekje dat ik al zo vaak met andere Denen voerde: over hoeveel onze talen op elkaar lijken, en soms toch ook weer niet, vreemde klanken, hoe lang het duurt voor je oor daaraan gewend is, valse vrienden en de grappige situaties die voortkomen uit dat soort taalkundige misverstanden.

Dan moet ze verder. Een Portugese met een Zweeds paspoort. Dwingend: “Je verstaat Deens!?” en daarna hetzelfde verbeten rijtje: waar ben je geweest? Waarom? Hoe lang? Wat zit er allemaal in je bagage? Heb je iets aan te geven?

Europa zonder glimlach

Terwijl de drugshond ons besnuffelt en ik op mijn telefoon het NOS-bericht ‘eerste peiling wijst op Grieks ‘nee’’ binnenkrijg, denk ik aan de Europese droom, die ik als student zo vurig koesterde. Het leek zo veelbelovend: open grenzen, kansen voor iedereen. Maar in het Europa van 2015 is geen ruimte meer voor goede intenties en wilskracht. Je haarkleur en je paspoort bepalen hoe je behandeld wordt. En alleen zij die Deens spreken, krijgen er een glimlach bij.