We kochten een huis. Ik had nog nooit een grotere aankoop gedaan dan een vliegticket naar Bali, en dan zet je ineens je handtekening onder een contract van een paar miljoen. Typisch zo’n gevalletje ‘later als ik groot ben is nu’.

Maar los van de emotionele achtbaan die het kopen van een huis met zich meebrengt (fuck! dat betekent dat ik minstens nog een paar jaar in dit land blijf. en dat wil ik eigenlijk ook best wel hoor. maar fuck! die afspraak met mezelf, daar kan ik dus niet meer onderuit he. fuck!) (dat fuck zei ik natuurlijk niet hardop want de baby was erbij maar ik dacht het wel) was het ook vermakelijk. Want die makelaars. Wat een antihelden.

Een vaakgehoorde klacht over consument zijn in Denemarken is dat het serviceniveau hier zo verdrietigmakend laag is. In winkels krijg je nauwelijks een ‘goeiedag’ losgepeuterd en je wordt tien minuten voor sluitingstijd alvast maar naar de uitgang gebonjourd want van overwerken word je maar moe. In restaurants kun je wachten tot je een ons weegt, als je überhaupt al bediend wordt want in menig eetcafé moet je je eten gewoon aan de bar bestellen en afhalen.

Service, nee, dat is iets voor aanstellers.

Ik schikte me er een beetje in, in mijn lot als zelfredzame en niet-klagende consument, want tja, ik ben een calvinist, en dacht: wie ben ik eigenlijk om eisen te stellen? Bovendien is het ook wel lekker rustig, dat je in winkels nooit lastiggevallen wordt met zo’n allicht vriendelijk bedoeld maar bloedirritant ‘waar kan ik je mee helpen?’

Maar toen kwam de beroepsgroep makelaars op ons pad.

Zo bont had ik het nog nooit gezien.

Een vriendin van ons zei: ‘ja, verbaast me niks, want om makelaar te zijn in Kopenhagen hoef je echt helemaal niks te kunnen, die huizen verkopen zichzelf voor astronomische bedragen.’ En zo is het wel een beetje.

Of, nee, ik zeg het verkeerd. De makelaarsboys die we troffen konden wel degelijk dingen, maar geen van die dingen had iets te maken met het verkopen van een huis.

Ik noem er een paar:

  • Onnozel giechelen als wij -om het ijs te breken- een grapje maakten over de aanwezigheid van een vlaggestok en hoe dat ons prachtige kansen bood om nu eindelijk eens écht te integreren (want mogelijkheid om elke dag de Dannebrog uit te hangen).
  • Onnozel giechelen als wij concludeerden ‘in deze buitenmuur zitten best heel veel scheuren, en dat vinden we niet zo’n goed teken eigenlijk.’
  • Onnozel giechelen bij alle andere dingen die we zeiden.
  • Ons de vraag stellen: ‘hebben jullie kinderen?’ terwijl we onze kinderwagen met 8 weken oude baby erin zojuist recht voor zijn neus hadden geparkeerd.
  • Op alle vragen die we stelden, antwoorden: ‘jamen, det er et rigtig godt spørgsmål – jeg vender tilbage’ (nou, dat is echt een hele goede vraag, daar kom ik later op terug’). We hadden hem eigenlijk moeten vragen ‘is deze koelkastdeur wit?’ gewoon om te testen of hij ook van zijn script af durfde te wijken.
  • Ons bod accepteren, het sturen van het contract eindeloos rekken, om dan na een paar dagen te bellen met de boodschap ‘hehoi ja jammer maar er is een andere koper met een hoger bod en daar wil de verkoper nu mee verder, willen jullie meer bieden?’ (toegegeven, dit is niet zijn schuld maar het illustreert wel hoe bizar het Deense systeem is, een mondelinge overeenkomst is niets waard totdat beide partijen ondertekend hebben).
  • Tijdens een open huis van welgeteld twintig minuten tegen alle aanwezigen zeggen: ‘ja hup, kijk gauw ook nog even boven op zolder want ik moet zo weer weg en ik heb nog niet gegeten ok!’
  • Het verlossende telefoontje van het geaccepteerde bod (nummer 2) beginnen met een langgerekt ‘nou, Caroline… ik heb nieuws voor je’ alsof hij het hoofd van de school is die je vertelt dat je bent gezakt voor je middelbareschoolexamens.

Uiteindelijk was dit laatste schoolhoofdtelefoontje wél het telefoontje dat ons nieuwe woonavontuur inluidde. Inmiddels zitten we dus helemaal happy te wezen in ons lateralsikgrootbenisnu-rijtjeshuis in Kastrup. Terug in de wijk waar mijn Denemarken-avontuur begon. Met een carport waar 3 kinderwagens in staan, een tuin die gemaaid moet, en bovendien ook verbouwplannen en een aannemer en een onbetaalbaar hardwerkende kluskoning in de vorm van opa B.

Dus ik klaag niet.