Stel, je hebt na een lange reis ont-zet-tend veel zin in versie koffie. Op het station word je als vanzelf toegetrokken naar het vertrouwde blauw van AH TO GO, want je weet: daar staat een automaat. Met bruin vocht.

Maar dan.

Op het schermpje van de automaat staat ‘gratis’. De vorige keer dat je hier koffie haalde (en dat doe je toch met regelmaat) stond er ‘werp munten in’. Eén euro vijftig, om precies te zijn. Dat weet je zeker. Zou Albert Heijn ineens tot charitatieve, gratis-koffie-uitdelende instelling zijn verheven? Of heeft de NS het weer eens verprutst en moeten ze reizigers gratis koffie aanbieden?

Niets wijst daarop. De automaat lijkt gewoon stuk.

Enfin. De grote vraag is: wat doe je?

Scenario 1. 

“Al die keren dat ik bij Albert Heijn genaaid ben omdat ik teveel voor het bier (bierkartel) / het brood (mensenhaar!) / de melk (melkprijsprobleem – wat was het ook alweer – nouja iets heel schandaligs waar Albert Heijn in ieder geval voor gestraft moet) betaal: mehoela. Ik ben toch goede klant? Ik kom of kwam er elke dag! Die één euro vijftig, die missen ze echt niet hoor. Bovendien: het stáát er toch? ‘Gra-tis’. Ik doe niks verkeerd.”

Je drukt op de knop ‘koffie’, en zodra het bekertje vol is, loop je zorgeloos en een tikkeltje trots vanwege zoveel recalcitrantie weg.

Want: wie dan leeft, wie dan zorgt. Eigen schuld, dikke bult.

Scenario 2.

“Jee, dit klopt niet, hoor. Nu kan iedereen zomaar gratis koffie meenemen; dat is niet de bedoeling! Het apparaat is stuk en wie weet hoe lang het al verkeerd ingesteld staat? Nu lopen ze inkomsten mis en dat is zielig. Nouja, niet heel zielig, want het is een groot bedrijf dat vast wel een paar euro kan missen, maar iemand moet het toch een keer zeggen. Anders wordt het nooit wat, met die eerlijke verdeling in de wereld, qua graaiende bankdirecteuren enzo.”

Je drukt op de de knop ‘koffie’, en zodra het bekertje vol is, loop je naar de kassa, wacht daar nog 5 minuten geduldig in de rij, zegt tegen de kassamevrouw ‘volgens mij is de automaat stuk, kan ik hier betalen?’ en legt 1 euro 50 neer.

Want: eerlijkheid duurt het langst. Juist als er niemand kijkt.

Welke van de twee kies je?

Een jaar geleden had ik waarschijnlijk voor scenario 1 gekozen. Eerlijkheid, ja hoor, belangrijk, maar er zijn grenzen aan mijn loyaliteit. “Je hoeft niet Roomser te zijn dan de Paus”, zoals de Nederlander -pragmatisch als hij is- over het algemeen denkt.

Maar nu is het anders. Ik beweeg me dagelijks in een omgeving waar een onberispelijke moraal meegebakken lijkt in het dagelijks roggebrood.  Je gedraagt je. Punt. Wie dat niet doet, gooit het nauwkeurig verweven systeem van sociale, maatschappelijke en belastingtechnische loyaliteit in de war. En dingen in de war gooien, dat wil niemand. Vooral niet als je Deen bent.

Verdeenst
Als twee verdeenste weesjes, eventjes op bezoek in Nederland, stonden wij vorige week dus keurig in de rij te wachten tot we onze 1 euro 50 mochten betalen. “Eerlijk! Eerlijk!”, schreeuwde ons innerlijke zelf. We kregen er een quasi-nonchalant en lichtelijk verbaasd ‘oh, bedankt hoor’ voor terug.