Het is februari. Het fietsen hier, dat heb ik wel zo’n beetje onder de knie, dus het is tijd voor een nieuw onderwerp van onderzoek. De winter lijkt nog maar net begonnen, en mijn betere helft denkt die kou op geheel Deense wijze te moeten trotseren met nóg een extra schep smør (boter) in het eten. De keuze is dus eenvoudig: eten it is, deze maand.

Eerst de basis: granen.

Net als in Nederland trekt ook hier een groepje voedingsfanaten ten strijde tegen de snelle koolhydraten die in pasta, brood en rijst zitten. Maar hier heeft die strijd het brood nog niet in het verdomhoekje kunnen dwingen. Daarvoor is de liefde voor -in eigen land verbouwde- granen te groot. Altijd al geweest. Sterker nog: Denen eten steeds méér granen. In zelfgebakken brood of van hippe bakkerswinkels.

Alleen -paniek!- de roggebroodconsumptie gaat achteruit. En dat is kwalijk. Want van alle granen is rogge toch wel de allerbeste, vindt men hier. Groeit goed op koude grond, is vol van smaak, en functioneert al sinds de Vikingtijd als Scandinavisch krachtvoer. Bovendien is het goed tegen ongeveer alle ziektes die je maar kunt oplopen. Kanker, suikerziekte, diabetes, enzovoorts.

Daar bedacht Lagkagehuset, de bakkersketen met de lekkere flødebollen en zoete broodjes, iets op. Ze startten een roggebrood-offensief. Met allerlei verschillende soorten kakelvers, knisperig roggebrood. En een heuse roggeklapper: de chocoladeroggebol. Uit liefde voor dit echte Vikinggraan, dat niet van onze borden mag verdwijnen.

Ik ben in ieder geval om.

Een aantal van mijn roggefavorieten: