Nu we opvang hebben moeten regelen voor de kinderen in Nederland, en we voor allerlei keuzes stonden (welke organisatie? Hoeveel dagen? Hoeveel kost dat?), valt er ineens een kwartje. Kinderopvang in Denemarken is als je energie-abonnement. Een basisvoorziening waar je wellicht geen geweldige service krijgt, maar je hebt er wel recht op en het is redelijk betaalbaar. Sterker nog: de overheid verplicht je de voorziening af te nemen.

Ik schreef er al eerder over, toen de kleuter nog een dreumes was en we in alle staten waren omdat de overheid niet aan hun leveringsplicht kon voldoen en ons dat in de problemen bracht.

Als je naar kinderopvang kijkt door een Nederlandse bril, dan zie je het als iets vrijblijvends, iets dat handig is als ouders allebei willen werken, als een parkeerplaats voor je kind bijna (of ben ik nu die olifant in een porseleinkast?). En ook als iets duurs. Tenminste, dat is de indruk die ik ervan heb als buitenstaander.

Maar die bril, die had ik de afgelopen 8 jaar niet op kinderopvang. Want opvang is hier geen vrijblijvende optie voor ouders die hun kind naar een gezellige speelplek met andere kinderen willen brengen op dagen dat opa en oma geen tijd hebben.

Opvang is verplicht. Zowel formeel als informeel.

Formeel, omdat er in sommige achterstandswijken een verplichting is: kinderen vanaf 1 jaar moeten een minimum aantal uren op de opvang doorbrengen, om ervoor te zorgen dat ze zich de taal en cultuur van Denemarken eigen maken. Geen opvang = geen kinderbijslag.

Informeel, omdat 91% van de Deense kinderen op de leeftijd van 1 jaar fulltime (tussen de 37 en 50 uur per week) naar een vorm van opvang gaat (creche of gastouder), dus je bent een uitzondering als je dat niet doet. In Noorwegen is dit 71%, in Zweden 49% en in Finland 30%. Thuishouden, daar wordt verwonderd op gereageerd – ‘hoe leert je kind dan tekenen en conflicten hanteren?’ is dan de gedachte.

En ineens realiseerde ik me dat wie in Denemarken opgroeit, heel eigen associaties heeft bij het woord ‘institutionslivet’. Het instellingsleven – het feit dat er een woord bestaat voor het leven dat kinderen vanaf hun eerste levensjaar buiten de deur hebben zegt al genoeg, lijkt me.

Dit zijn de mijne. 8 associaties die ik in de komende maanden waarschijnlijk in rap tempo weer afbouw.

1. Opvang is socialisatie.

Ik begin meteen met de meest gevoelige van alle. Want voor wie is de opvang er eigenlijk? De algemeen geaccepteerde lezing is dat opvang er is voor het kind: het geeft het kind een sociaal leven, het leert het kind sociale vaardigheden, en zorgt ervoor dat het met leeftijdsgenoten opgroeit. Een kind dat een beetje een einzelganger is, past niet in het Deense plaatje van een sociaal geaccepteerd wezen en wordt aangeraden om zoveel mogelijk uren op de opvang door te brengen om ‘beter te socialiseren’. Dat de ouders hier zelf een mening of verantwoordelijkheid in zouden hebben, is voor de kindergartenpedagoog niet zo relevant.

De minder algemeen geaccepteerde lezing is dat kinderopvang er is voor het kapitalisme (maar dat is meer voor de cultuurkritische mensen onder ons).

2. Opvang is in handen van de overheid.

Dit is een van de factoren die het leven in Denemarken heel erg overzichtelijk maken – en tegelijkertijd ook frustrerend. Je hebt als burger maar met 1 partij te maken, en dat is de overheid. De gemeente is verplicht kinderen vanaf 26 weken tot hun 6e jaar opvang te bieden, binnen 3 maand nadat je daarom vraagt. Die verplichting is erg handig als je omhoog zit, maar tegelijkertijd is het een wassen neus als je meer eisen stelt dan een goudvis. Wij kregen vier jaar geleden bijvoorbeeld een gastouder aangeboden op 5 kilometer van ons huis – de stad uit (dus niet onderweg naar ons werk). Wij hebben geen auto dus daar bedankten we voor. Je mag maar 3 keer bedanken – daarna heb je pech en krijg je niks nieuws aangeboden. En als je klachten hebt, dan moet je die indienen bij de inspectiedienst van de gemeente – een beetje als de slager die zijn eigen vlees keurt dus die hoop op invloed heb ik maar opgegeven.

Private opvangorganisaties waar je wensen als ouder wat serieuzer genomen worden zijn er wel, maar schaars, en de kwaliteit is niet altijd consistent.

3. Opvang is een vak.

Op de opvang van onze kinderen hebben we meestal te maken met opgeleide pedagogen (op HBO niveau), die bijgestaan worden door ofwel pedagogisch assistenten of studenten. Op een groep van 18 kleuters is altijd 1 pedagoog. Ook de gastouder waar onze oudste tot hun 3e naartoe ging was opgeleid tot pedagoog. Dat is de huidige gastouder van de baby overigens niet, maar die doet dit werk al zo lang en met zoveel enthousiasme, dat ik vermoed dat de gemeente ervaring en oprechte interesse in het vak ook als kwalificatie ziet. Overigens hoort bij de verantwoordelijkheid die de gemeente neemt voor opvang ook screening en regelmatige supervisie, en daarnaast zorgt de gemeente ervoor dat alle gastouders of creches een pedagogisch plan hebben.

4. Opvang is arbeidsparticipatie voor vrouwen.

Een beetje in conflict met mijn eerste punt, maar uiteindelijk heeft het wel gewerkt. Na de oorlog was Denemarken zo arm dat iedereen aan het werk moest. De beste manier om dat voor elkaar te krijgen, was kinderen massaal naar gratis of zeer goedkope opvang doen en ze verkochten dat onder het mom ‘is goed voor ze’. Iedereen gelooft daar nu nog steeds heilig in, en het gevolg is bovendien dat de arbeidsparticipatie van vrouwen hier torenhoog is, en ze werken bijna allemaal fulltime. Een loonkloof is er -om andere redenen- nog steeds, maar aan het aantal gewerkte uren voor de economie zal het niet liggen.

5. Opvang is een gelijkmaker.

Dit is een open deur maar uiteindelijk werkt ook dit als een trein. Al die kinderen die 37 uur per week in hetzelfde gareel lopen zorgt er natuurlijk wel voor dat je een maatschappij creert waar iedereen op leeftijd X een huis kan tekenen, op leeftijd Y in het Deens tot 100 kan tellen, leverpostej lekker vindt, en Santa Lucia kan zingen. Je hoeft er geen zorg over te hebben of iedereen het verschil begrijpt tussen mijn en dijn, en over hoe belangrijk ‘delen’ is (wat er hier op eenjarige leeftijd al in gedrild wordt – volledig nutteloos maar erg Deens). Massa-institutionalisering, zoals critici het noemen, zorgt ervoor dat er niemand achterblijft.

En het zorgde er ook voor dat onze vijfjarige kleuter beter Deens spreekt dan wij.

6. Opvang is betaalbaar.

Dit is een van die dingen die ik erg ga missen, straks. Wij betalen voor twee kinderen van 5 en 1.5 jaar, voor fulltime opvang, 5 dagen in de week, 450 euro. We bepalen zelf wanneer we brengen en halen, een dagje vrij plannen, of een hele week, zolang het brengen maar voor 9 uur ‘s ochtends is. Geen flex-uren, vakantie-afname, parttimeschema, of andere ingewikkeldheden. Het is uiteraard hevig gesubsidieerd, maar daar ondervinden wij geen hinder van want we hoeven geen toeslagen aan te vragen die inkomens- of achternaamafhankelijk zijn. Bij inschrijving op de overheidswebsite geven we een akkoord voor automatische incasso en zo wordt het geld elke maand automatisch van onze rekening afgeschreven.

7. Opvang is een cultuurfenomeen.

Iedereen die in Denemarken is opgegroeid weet wat het inhoudt: ‘institutionslivet’: het leven in een creche of kindergarten. Het bakje met reserverkleren. De lievelingspedagoog. Altijd kijken of je beste vriendje er al is, ‘s ochtends. Het gesprek tussen twee vierjarigen over hoe laat ze die dag worden opgehaald en door wie. Elkaar de ogen uitsteken met wat er in het lunchpakket zit. Met vriendjes mee mogen naar huis. Niet naar de opvang zijn geweest maakt een kind een buitenstaander. ‘Mijn moeder hield me thuis’ is een teken dat het kind uit een bijzondere familie komt, die alternatieve keuzes maakt. Kinderen thuishouden, of homeschooling, wordt hier wel iets populairder, en er zijn ook gemeentes met een subsidieregeling voor thuisblijfkinderen, maar die regelingen zijn ondoorzichtig en verschillend van gemeente tot gemeente.

8. Opvang mag niet tot laat ‘s middags duren.

En dan de laatste. Misschien wat tegenstrijdig met de voorgaande associaties, maar er is een strijd gaande. Een onuitgesproken, maar zeer duidelijke strijd. En dat is de strijd tussen ouders wie zijn kind het eerste ophaalt. Want de opvang is dan weliswaar voltijds en tot 5 uur ‘s middags open, het is altijd beter om je kind een lange middag met papa of mama te geven. Als wij onze kinderen om kwart voor 4 ophalen, zijn wij meestal de laatsten. De vloeren zijn al geveegd, stoelen opgeruimd, en de laatste drie kinderen zitten treurig samen te wachten tot papa of mama komt.

Zo is dat percentage van 91% voltijds opvangkinderen misschien toch niet helemaal correct. Op papier gaan ze wellicht voltijds naar de opvang, maar in de praktijk zijn de meeste kinderen er van 8 tot 3. Zo ongeveer.